Paultje

Het is gebeurd. Je bent vertrokken. Definitief. Vanmiddag om half vier heb je je laatste adem uitgeblazen. Je laat ons achter om de volgende reünie zonder jouw lijfelijke aanwezigheid te vieren. Ongetwijfeld zullen we dan jou vieren. Proosten op Paultje. We zullen het ongetwijfeld hebben over je positiviteit, je moed, je humor, je doorzettingsvermogen en je liefde. Want die eigenschappen heb je tijdens de lijdensweg die leidde naar je uiteindelijke afscheid nog eens extra kunnen etaleren. Zonder dat je het in de gaten had, waarschijnlijk, want zo zit je nou eenmaal in elkaar.

Nee, ik schrijf niet in de verleden tijd, want je zult er altijd zijn. Voor heel veel mensen zul je er altijd zijn. Als je misschien nog niet in de gaten hebt hoeveel mensen jij geïnspireerd, ontroerd en opgebeurd hebt, dan wil ik je best vertellen dat het er héél veel zijn. Zoveel bier heb jij niet in huis, maat.

Ik weet ook wel dat jij van mij verwacht dat ik in ieder geval één flauwe grap in dit stukje zal maken. Bijvoorbeeld dat ik het woord ‘kut’ zou gebruiken terwijl daar geen enkele aanwijsbare reden voor is. Niemand heeft het over ‘kut’ in een stukje voor een overledene. Dus dat zal ik dan ook niet doen. Ook als voel ik me nu best kut.

Ooit doen we weer een reünietje, waar je dan ook mag zijn. Eén voor één zullen we binnen komen druppelen. De een of andere olijkerd zal “schoenen uit!” roepen. Een ander zal vragen of er nog chips is. We zullen lachen. En misschien een potje Risk doen, tot diep in de nacht. Dan steken we een sigaret op en nemen nog een biertje. En we zullen proosten.

Voor nu zal ik volstaan met in dit leven een biertje open te trekken en op jou te proosten. Proost. En bedankt, gozer. Ik ga je zien.

Vierentwintig

Ik zag je intense glimlach,

je reactie op het onverwachte bezoek,

even zag je het niet zitten,

om je verjaardag te vieren.

Maar gelukkig was de visite hardnekkig,

en na aandrang van je zusje,

vierden we vierentwintig.

Gelachen, geproost, gefeliciteerd.

Ik zie je glimlach van toen,

hij lijkt op die van nu, soms.

Maar vaker dan je ooit dacht, denk ik,

ondanks het stiekeme gemis.

Je bent al verder dan sommigen,

soms ben je zelfs verder dan ik,

want als ik terugval in oud zeer,

hoor ik jou vergeven,

en leer ik van mijn dochter.

Ik leer van je liefde voor je oma en je opa,

van je liefde voor je zusje en mijn lief,

van je liefde voor familie en vrienden,

ik leer van je glimlach.

Over vierentwintig jaar,

dan ben ik, eh…, héél oud,

zal ik denken aan je glimlach,

en wat ik van je geleerd heb.

Alvast bedankt.

Want dáárom hou ik van je.

IMG-20130512-WA0000941940_560455067310273_2120121553_n

Pa

Mijn zusje duwde vanmiddag een enveloppe in je hand en fluisterde wat in je oor. Vervolgens overhandigde je mij die enveloppe met inhoud en feliciteerde me vast met mijn verjaardag. Nu, twaalf uur later, ben ik op de leeftijd die jij had toen ik zo trots op je was. We bouwden ieder weekend een feestje, in jouw huis. Iedereen was welkom en iedereen kwam. Ik vond je per jaar jonger worden. Ik verbaasde me daarover en vroeg me af hoe je dat flikte.

Toen je 35 was, was je een ouwe lul. Dan stond ik ‘s ochtends voor het raam in m’n pyjama naar je te zwaaien als je naar je werk ging. Je zwaaide ernstig terug, in je muisgrijze pak, kroop op je Solex en snorde de straat uit. Geld verdienen om je gezin te onderhouden. Meer niet. Ik vond je oud en wenste stiekem nooit zo oud te worden. Tot je ouder en ouder werd. Tot je je ging realiseren dat het er niet toe doet hoe je het doet, als je er maar plezier in hebt.

Nu ben ik 52 en jij 82. Je bent nu echt een ouwe lul. Lopen gaat moeilijk, denken gaat moeilijk. Je weet het allemaal niet meer zo goed. En je realiseert je dat je het allemaal niet meer zo goed weet. Dat is nog het ergste. Maar soms, héél soms, zoals vanmiddag, heb je er nog plezier in. Dan lichten ineens die pretoogjes weer op en dan komt de lach. Dan ben je weer even die jonge vent van 52. Die ik ook probeer te zijn.

Ik hoop dat ik nog meer op je ga lijken. Ik heb er in ieder geval plezier in. Daarom ben ik nog steeds trots op je. Die wetenschap is het mooiste cadeau dat je me ooit hebt gegeven.

Zes (reprise)

Zes jaar getrouwd, dus. Nog een jaar verwijderd van de ‘seven year itch’. Als je onze verkeringstijd niet mee zou rekenen, want als je die wél meerekent, zitten we nu op acht jaar. Volgens mij hebben we die seven year itch al gehad en elkaar toen eens goed achter de oren gekrabd. Nu hebben we geen jeuk meer.

Mede daarom besloot jij het afgelopen jaar om een eind aan de pijn te maken en een nieuwe heup te kopen. Of lenen, eigenlijk. Want die dingen gaan niet eeuwig mee en ooit moet ook deze vervangen worden. Dat weten we en dat doen we. Samen. En als jij vind dat ik ook een nieuwe moet lenen, dan doe ik dat met liefde. Eens kijken hoe dat squasht.

Ik vind dat je weer een dapper jaartje achter de rug hebt. Je hebt het toch maar even geflikt, zonder zeuren. Met humor heb je je er doorheen geslagen en met je humor heb je mij om de oren geslagen, zoals alle jaren. Het laatste stukje revalideren is begonnen en ook daar lachen we ons doorheen. Het moment dat jij in de kroeg de jouw aangeboden zitplaats gaat weigeren met de historische woorden “voor mij geen kruk meer!” nadert met rasse schreden. Dan zal ik je, vóór we gaan slapen, vertellen dat ik van je hou. Zoals we al zes jaar iedere avond doen.

Zes jaar getrouwd al. Acht jaar samen. Pas. Nog een jaartje of vijftig te gaan. Ik kijk er verlangend naar uit.

 

Lief

Als je het soms niet meer ziet zitten,

dan zal ik het laten staan.

En als het lopen niet meer gaat,

zal ik je laten zitten,

en duw je naar de horizon.

 

Zes

Zes jaar geleden dat jij je laatste adem uitblies. Een beetje stiekem, toen er niemand in de kamer was. Waarschijnlijk omdat je niemand tot last wilde zijn. En misschien ook wel om ons allemaal een klein beetje in de maling te nemen. Want dat kon je, op z’n tijd. Dat heb ik dan in ieder geval niet van een vreemde.

Ik weet niet of je m’n verhaaltjes nog leest, of dat je ze nog steeds promoot, zoals je gretig mijn boeken verkocht aan het ziekenbezoek. Ik vermoed het laatste. Dan zal je wel gelezen hebben dat Paultje binnenkort naar je toe komt. Triest voor de achterblijvers, maar wel weer leuk voor jou.

Als ie komt, moet je gewoon doen of je verbaasd bent. En als de begroetingen achter de rug zijn, moet je in zijn oor fluisteren dat de foto’s van Rome bijna klaar zijn. De grijns die die mededeling op zal leveren zie ik nu al voor mijn geestesoog.

Met zo’n zelfde grijns op m’n smoel ga ik nu slapen. En met jou in mijn hart.

Dochters

Ik had vandaag visite. Ik schrijf met opzet “ik”, want mijn lief heeft me verlaten. Op de één na laatste dag van het jaar. Hoe triest wil je het hebben…

Oké, morgen is ze weer terug, want ze viert samen met haar oudste zus de verjaardag van haar jongste zus in Waddinxveen en omgeving, maar je moet toegeven dat het een leuke binnenkomer was. Mensen die ons kennen zullen met stomheid geslagen zijn als ze alleen de eerste 140 tekens op twitter lezen. Paniek zal uitbreken, mooie vrouwen zullen zich verdringen bij de voordeur om mij te troosten. En dat moet ik dan allemaal over me heen laten komen. Het is niet anders. Maar nu kan het nog, want ze is morgen pas weer terug.

Maar laten we niet afdwalen. Ik had vandaag dus visite. Frank, Adèle en hun dochter Julia wilden wel eens zien hoe ik het in Enkhuizen doe. Frank heb ik onlangs nog gezien bij de reünie van Paultje, maar Adèle had ik al een tijdje niet gezien. En met “een tijdje”, bedoel ik een aardig tijdje. Want zij stelde vragen over mijn dochters en hoe ik ze allebei na negen jaar weer in mijn armen mocht sluiten. En ik vertelde.

Nu kijk ik terug, ruim vier jaar na de dag dat ik Mandy weer zag op station Amsterdam-Sloterdijk. “Ik weet niet goed wat ik moet zeggen,” snikte ze. En ik wist het ook niet, maar knuffelde haar tot ze geen lucht meer kreeg. Daarna hebben we het over ons heen laten komen. En nu zijn we waar we zijn.

Mandy met haar hart in haar werk en bij haar familie en vrienden, Brenda druk bezig om te leren hoe ze mensen uiterlijk mooi kan maken en haar liefde en innerlijke schoonheid kan delen met haar vriend, zijn familie en haar familie. Twee topmeiden. Mijn dochters. Trotse papa hier!

Mijn lief is dus even aan het feesten bij haar zusje. Hondje en ik zijn derhalve vanavond alleen thuis. Hondje keek wel even raar op toen hij tranen zag omdat ik op Facebook de regel “Bedankt dat jij mijn pap bent” las, maar evengoed likte hij ze weg. Zout is nou eenmaal lekker.

Ik heb hondje daarna verteld over het gemis, over hoe je je opstelt als er iets weggerukt wordt uit je leven en hoe cynisch je daarvan kan worden. En ook over hoe mensen die van je houden je weerhouden om door te draaien. Hoe je kan leren van je fouten, hoe je liefde kan geven en daardoor weer kan ontvangen. Hoe je door gemiste kansen te accepteren kan leren om nieuwe kansen met beide handen aan te grijpen. Hoe een vader kan leren van zijn dochters. Hondje keek me even aan met die Mandy-blik en hij begreep me. Want hij kent mijn dochters.

Ik weet dat vaders bijna altijd hun eigen kinderen de besten ter wereld vinden. Maar in mijn geval is dat de brute waarheid. Het is niet anders. Ik moet het er mee doen.

 

SMIM!

En zo kregen we toch nog onze zin. Een ingelaste reünie, tegen het einde van dit jaar. We waren er allemaal, mannen en vrouwen van rond de 50, en we vierden de vriendschap van ooit. Een vriendschap die zo’n 30, 35 jaar geleden begon en die klaarblijkelijk niet kapot te krijgen is. Ook niet als we de keiharde werkelijkheid voor onze voeten geworpen krijgen dat één van de tien er de volgende reünie niet meer bij zal zijn. Waarschijnlijk is juist die werkelijkheid de extra cement om het zooitje ongeregeld nog wat steviger te maken.

Dus we hebben afgesproken om eind volgend jaar weer bij elkaar te komen. Maar dan zonder Paultje. En juist mét Paultje. Want Paultje zal er altijd bij zijn, zelfs als hij er niet meer is.

Het voelde niet als een afscheid, want afscheid nemen doen we wel als de tijd rijp is. We hebben in plaats daarvan elkaar verteld hoe we het doen in het leven, we hebben geconstateerd, we hebben gemijmerd, bewonderd, geproost, geleerd, geschamperd, gerelativeerd, herinnerd, gemist, maar bovenal hebben we gelachen. Net als ooit. Toen de humor ons verbond en soms verdeelde, ons sterker maakte en zwakke plekken raakte. De humor was onze kracht. De humor ís onze kracht. Dat voelden we deze avond in het bijzonder.

Paultje heeft genoten. Wij hebben genoten. En de kop van dit stukje, voor insiders, is 100% waar gebleken. Dat schrijf ik straks graag op je kist.

Bedankt man. We houden van je. Steek die maar in je zak.

Paul

Dit weekend zijn ze ons dakterras aan het bouwen. Volgend weekend gaan ze onze tuin mooi maken. Zodat ons huisje ons nog heel veel jaren leefplezier gaat opleveren. Over een jaar of vijf gaan we de badkamer naar beneden verplaatsen en de bovenverdieping uitbreiden. Dat gaat ons mooie leventje nog meer kwaliteit geven. En we leven nog lang en gelukkig.

Vanmiddag zag ik de mannen van het dakterras aan het werk. Ik stond erbij en keek er naar. Mijn twee linkerhanden diep in de zakken, want het was best koud. We werken ons de tering, dus we kunnen het betalen en hoeven het niet zelf te doen. We kopen deels ons geluk. Daar hebben we recht op, vind ik.

Maar wat als je de wetenschap zou hebben dat dat geluk over een paar maanden voorbij is? Dat je weet dat één van de twee er dan plots niet meer is? Stel dat een willekeurige arts in de afgelopen week tegen je zegt dat je nog maar een paar maanden hebt? Wat dan?

Het overkomt een vriend. Een vriend van vroeger. Zo’n vriend die je nog op spaarzame momenten spreekt en ziet. Vanwege afstand, vanwege verschillende levens. Zo’n vriend voor het leven die je veel te weinig ziet. Maar die ook wel weet dat het goed zit. Vanwege vroeger.

Ik probeer het me voor te stellen, maar krijg het niet voor elkaar. Ik ben niet ziek, hij is ziek. En hij krijgt nog maar een paar maanden van de heren doktoren. Beetje last van z’n maag, daar begon het mee. In enkele maanden was een beetje last uitgegroeid tot een vorm van agressieve alvleesklierkanker, ongeneeslijk. Net als toen, bij mijn moeder, eigenlijk.

Mijn moeder overleed drie weken voordat ik trouwde met de mooiste, liefste, slimste, sterkste vrouw van de wereld. We hadden die trouwdatum doorgezet, ondanks de twijfels over de datum en omdat mijn moeder ons op het hart drukte gewoon door te gaan met ons geluk. Een week na haar overlijden namen we afscheid van haar. Het was druk daar. Heel veel mensen kwamen de laatste eer bewijzen. Mijn moeder was de keizerin van de vriendschap. En dus drukte de vriend van ooit mij de hand, om me te condoleren. En de vrouw waarmee hij de laatste jaren gelukkig is geweest drukte mij ook de hand. Ze kenden elkaar van school en raakten aan de praat. Werden verliefd, werden gelukkig samen. Dankzij mijn moeder, schreef hij eens. Haar dood bracht nieuw leven.

Twee mensen die het geluk vonden door een nare ziekte. Twee mensen die dachten samen gelukkig oud te worden. En die afgelopen week het bericht kregen dat dat er niet meer in zit. Omdat hij ten prooi is gevallen aan die oneerlijke ziekte die mijn moeder ook heeft weggenomen. Hoe ironisch wil je het hebben?

‘Kan ik haar eindelijk bedanken voor de mooiste jaren van mijn leven…’ schreef hij ergens op Facebook, refererend aan mijn moeder. Met de belofte dat hij er nog iets moois van gaat maken, die laatste tijd. Zoveel positiviteit, zoveel kracht, zoveel humor, zoveel uitspraken die het normale leven relativeren. Daar wil ik Paul vast voor bedanken. Dank je wel, Paul. Voor alles.

Morgen gaan ze verder met ons dakterras. Ik zal er naar staan kijken, met mijn twee linkerhanden diep in mijn zakken gestoken. Ik zal grappen maken tegen die mannen, want dat vinden ze leuk. En ik zal vast nadenken over de volgende reünie.

Jarig

De vrouw zat mijmerend op haar rollator en keek glimlachend naar de eenden die met smaak en een hoop gekwaak haar oude brood oppeuzelden. Eens per week duwde ze zichzelf naar de waterkant om de eendonomie draaiende te houden, zoals ze altijd zei tegen haar vriendinnen in het verzorgingstehuis. Ze had dan altijd de lachers op haar hand. Kim, Romy, Emily en Brenda, door de gastvrouwen van het tehuis de “dolle Mina’s” genoemd, zorgden altijd voor het nodige vertier. Eigenlijk was er wat dat betreft niet veel veranderd in 60 jaar, overdacht Brenda, terwijl ze het lege broodzakje in de prullenbak deponeerde. En ze dacht terug aan haar 19de verjaardag, precies vandaag 60 jaar terug.

Ze was gelukkig, toen. Dat geluk had ze vast weten te houden tot op de dag van vandaag, ondanks de droeve gebeurtenissen in haar leven. Toch koesterde ze ieder moment, want als je het droeve niet kent, leer je ook het geluk niet kennen. Dus had ze het leven ten volle geleefd, en deed ze dat eigenlijk nog steeds, ondanks de fysieke ongemakken die haar 79 levensjaren met zich meebrachten. De rollator bijvoorbeeld, die ze nodig had omdat haar benen niet meer zo goed wilden. Als ze ‘s avonds thee (en soms een wijntje) bij haar vriendinnen had gedaan, zei ze altijd dat ze haar rolly naar huis ging duwen, omdat die naar bed moest.

Vanavond zou er weer een feestje zijn. Dan ging ze vieren dat ze de respectabele leeftijd van 79 had bereikt, samen met haar vriendjes, vriendinnetjes en de familie. Dan zou ze haar kleinkinderen weer zien, zou ze grapjes met ze maken zodat ze weer tot tofste oma ever uitgeroepen zou worden. Vol van voorpret duwde ze Rolly richting huis.

Thuis zou ze haar feestjurk uit de kast halen, de internettelevisie aanklikken, haar maaltijd in de magnetron zetten en die smakelijk opeten, terwijl ze het stukje van kleinzoon Victor zou lezen. Ieder jaar met haar verjaardag plaatste hij een stukje op zijn site, in navolging van zijn overgrootvader. Ze keek er al naar uit en glimlachend vervolgde ze haar weg.

Op haar heupen

Ik zou nu bijvoorbeeld kunnen schrijven dat ik vandaag mijn lief voor een grote onderhoudsbeurt weg ga brengen en dat ik haar eind van de week weer op kan halen met een gedeeltelijk nieuw onderstel. Dat ik tussen de bedrijven door met de monteurs zal overleggen of er in de toekomst nog meer verbeteringen zijn aan te brengen, dat ze er misschien meer stroomlijn in kunnen kneden om de gevolgen van het ouder worden wat te verbloemen. Of dat ze de koplampen wat bij kunnen stellen, want op den duur gaat de zwaartekracht toch zijn steeds prominentere rol opeisen.

Dat zou ik allemaal kunnen schrijven, maar dat doe ik uiteraard niet. Want straks met die nieuwe heup loopt ze natuurlijk weer als een trein en is de kans dat ze vanwege dat soort schrijfsels mijn carrosserie eens flink gaat uitdeuken niet gering. En ik ben niet van gisteren, hè.

Aan de andere kant, denk ik dat ze het wel zal begrijpen als ik dat soort schrijfsels zou produceren. We hebben afgelopen weekend, het weekend vóór de operatie, ook met de nodige humor doorgebracht. We relativeren ons helemaal te pletter. Dat doet de spanning wat afnemen.

Want het is allemaal best spannend. Dat neemt niet weg dat we weten dat het goed gaat komen. Ze heeft er alle vertrouwen in dat de monteurs voldoende gekwalificeerd zijn om die nieuwe schokbreker er op de juiste manier in te rammen en er ook nog voor te zorgen dat die flink wat jaartjes mee kan. Bovendien blijkt dat ze heel veel vriendjes en vriendinnetjes heeft die haar op verscheidene manieren een hart onder de riem steken. Vanmorgen werd er bijvoorbeeld nog een hoefijzer door de brievenbus gesmeten, die inmiddels al boven haar geïmproviseerde rustplek in de achterkamer hangt. Met de pootjes naar boven, want dat brengt geluk.

Dus in feite hoef ik helemaal niets te schrijven. Het verhaal schrijft zich gelukkig zelf.

Foto

DSC_0699.jpg

Volg me

Follow victordekeijzer on Twitter

U zei?

Archief

Advertentie