Drieëntwintig
En toen had je ineens een huisje, vlak voor je 23ste verjaardag.Een hoop kluswerk, een hoop geregel, maar je slaat je er doorheen.En binnen afzienbare tijd zul je na een lange werkdag de deur achter je dicht trekken en genieten van je eigen plekje.
Even evalueren…Je hebt je eigen stek, je hebt vervoer, je hebt mensen die van je houden, je hebt een geweldige baan met leuke collega’s, je hebt al verschillende (vaak onvrijwillige) levenslessen mogen leren, je hebt een hondje (nu nog even op afstand, maar die komt wel), je hebt je humor, je hebt een fantastische vader (die heeft ook humor), je hebt de liefste stiefmoeder ter wereld (die is getrouwd met een vent met humor), je hebt mooie vooruitzichten, je hebt zo’n beetje alles wat je hartje begeert.Dus cadeaus heb je eigenlijk niet nodig.(Maar we doen het stiekem toch.)
En als je nou eens een momentje hebt waarop het allemaal niet zo lekker lijkt te gaan, kijk dan in de spiegel naar die mooie, jonge, sterke vrouw die de wereld aan kan en dat al meerdere keren heeft bewezen.Die met één achteloze opmerking je dag weer goed kan maken.Die je aan het lachen maakt als het nodig is, die relativeert als het moet.Vertrouw op die vrouw en hou van die vrouw.Dat doe ik ook al heel je leven en dat bevalt me best.
Gefeliciteerd, lieffie!
(Ik zat nog even terug te lezen op deze site:Gewoon, Twintig, Eenentwintig, De wandeling, Telefoongesprek, Schaamdenken en feliciteer mezelf toch ook een beetje met het geluk dat ik nu heb.)
Lief, opus 46
Héél vroeger moeten we elkaar tegengekomen zijn. In de Parasol, in Scheveningen, want daar gingen we allebei heen in die tijd. Jij was dat verlegen meisje dat in de hoek stond te staren naar het dansgeweld. Ik was dat verlegen jongetje dat aan de overkant in de andere hoek misschien wel stiekem met je stond te dansen. Maar ik kon niet dansen, vond ik. En dat zou jij ongetwijfeld ook gevonden hebben. Dus je ging naar huis met je vriendinnen, ik met mijn vrienden.
Jaren later kwamen we elkaar in het echt tegen. En toen was jij ineens 46 jaar oud. En was je uitgegroeid tot die grappige, zelfbewuste, mooiste vrouw van mijn leven. En zat ik naar je te kijken, hoe jij op onze bank zat te chillen. En ik was trots. Trots, omdat ik uiteindelijk toch het lekkerste chickie van de Parasol had gescoord. Het heeft dan misschien even geduurd, maar dan heb je ook wat. In mijn vuistje lach ik de vrienden van toen keihard uit.
Ik ga in gedachten terug in de tijd en ben weer in de Parasol met de vrienden. Ze lachen me uit.
“Die ga jij echt niet scoren, Keijzer!”
“Way out of your league!”
Maar ik stap toch op je af en vraag je ten dans. En ik dans als Michael Jackson. De vrienden kijken hun ogen uit. En aan het eind van de avond vertrek ik, samen met jou. Ik hoor niet meer dat de vrienden me naroepen:
“Wacht maar tot ze 46 is!”
Nu ben je 46. Maar je hebt het lichaam van een vrouw van 45, de geest van een meisje van 25 en de wijsheid van een dame van 65. En ik kan niets anders doen dan trots zijn. Trots op mezelf, trots op mijn lief. Trots op ons.
Vorige week liepen we langs de plek waar de Parasol ooit was. Ik deed stiekem een dansje. Het moet er belachelijk uit gezien hebben. Maar dat boeide niet, want je ging met mij naar huis.
Gefeliciteerd, lief. Dank je wel dat je het al zo lang met mij uithoudt. Dank je wel voor je schoonheid, je humor en je wijsheid. Ik hou van je. Héél veel!
Ansichtkaart
Een kaart. Op de mat. Een heuse ansichtkaart helemaal uit het verre Bristol. Bristol ligt in Engeland, jongens en meisjes, ergens aan de westkust. Wat een ansichtkaart is, vraag je? Ja, jeetje…
Vroeger was er nog geen mail, Twitter of Facebook. Toen schreven mensen elkaar nog via de post. De PTT had mensen in dienst die brieven en ansichtkaarten, geschreven door mensen, in de brievenbus bij andere mensen deden. De brievenbus, dat is die gleuf in de voordeur waar tegenwoordig alleen nog pakken reclame doorheen geduwd worden.
Nu heb ik een neef, Robert, en Robert woont in Bristol. Robert had een goede baan in Nederland. Hij was een jaar of 34, stapte ‘s ochtends zijn kantoor in, haalde een bak automatenkoffie, ging achter zijn bureau zitten, slingerde zijn computer aan, nam een slok, keek eens om zich heen en besloot dat hij er maar eens een jaartje of wat er tussen uit moest. Hij meldde dit aan zijn baas, kocht een backpack en trok de wijde wereld in. Na vele omzwervingen vond hij zichzelf terug in Australië, vastgeplakt aan een Engels meisje dat Sophie heette.
En nu woont hij al een aantal jaartjes met Sophie in Bristol en zijn ze in blijde verwachting van hun tweede kindje. En ondanks dit alles besloot Robert om mij een ansichtkaart te sturen, met een wat verlate felicitatie voor mijn verjaardag. En de opvallende vraag of ik inmiddels al tekstschrijver voor Youp van ‘t Hek geworden ben.
Aangezien Robert nog niet helemaal meegaat in de vaart der volkeren, hij heeft wel Facebook, maar hij doet er niet zoveel mee, zal ik hem op deze onpersoonlijke manier antwoorden.
Nee, Robert, ik ben nog geen tekstschrijver voor Youp van ‘t Hek geworden. Ik heb het wel even overwogen, maar uiteindelijk toch besloten om tekstschrijver voor mezelf te blijven. Youp kan het nog best aardig in zijn eentje, al gaan de scherpe kantjes er hier en daar wel een beetje af. Misschien als hij zo oud is dat hij echt geen pen meer op papier krijgt, dat ik het nog eens heroverweeg.
Dan zal ik hem een ansichtkaart sturen.
Hout
‘Het is hout vandaag,’ schreef mijn lief vanmorgen vroeg op Facebook. En achter die regel had ze van verscheidene leestekens een breedlachende smiley gefabriceerd.
Veel mensen zullen denken dat ze daarmee bedoelt dat het vandaag voor het eerst deze winter koud is, en dat de vrieskou tijdens het vroege rondje met het hondje haar spraak- en typevermogen dusdanig heeft aangetast dat ze niet normaal meer ‘het is koud vandaag’ kan spreken of typen. Of misschien zit die constatering wel alleen in mijn kromme geest. Maar, om een kort verhaal lang te maken, ze doelt op onze houten bruiloft, die vandaag door ons in alle rust gevierd gaat worden. We zijn namelijk vandaag op de kop af vijf jaar getrouwd. Zij en ik.
Ik die, na een eerste halfslachtige poging, nóóit meer zou trouwen, en zij die sowieso nóóit zou gaan trouwen, want dat had zij allemaal niet nodig. Toch zijn we getrouwd, zij en ik. En we hebben er nog steeds geen spijt van. Althans, ík in in ieder geval niet.
Vandaag vijf jaar geleden zaten we met een select gezelschap in een kasteeltje ergens in Limburg. We praatten, we lachten, we dronken, we proostten, we lieten een traan om mijn moeder die drie weken daarvoor overleden was, maar ons nog wel op het hart drukte om de bruiloft gewoon door te laten gaan. Dat hebben we gedaan.
Nu genieten we van ons nieuwe huisje, genieten we van elkaar en vanavond gaan we proosten op ons. Met z’n tweetjes. Op naar koper, zilver, goud, brons, hardhout, of weet ik veel welke materialen men gebruikt om een mijlpaal van te bouwen. Ik realiseer me in ieder geval steeds weer dat ik de hoofdprijs heb gewonnen.
Dank je wel, lief. Ik hou van je.
Voor Brenda
Je leeftijd,
net 18.
Jouw lach,
doet lachen.
Je ogen,
ze stralen.
Je haar,
het danst.
Je vrolijkheid,
doet goed.
Je optimisme,
geeft kracht.
Je humor,
schatert.
Je bestaan,
het inspireert.
Je hart,
is groot.
Je liefde,
doet leven.
Je liefde,
doet geven,
mijn liefde,
aan jou.
Gefeliciteerd, lieffie!
Engeltje
Toen de chirurg me dinsdagochtend om half vier belde met de mededeling: “Het gevaar is geweken,” realiseerde ik me pas hoe kritiek de hele situatie was. Wat begon met een bezoekje aan de huisartsenpost, voor de zekerheid, omdat die helse hoofdpijn nu toch wel heel vervelend werd, eindigde in twee hersenoperaties die wonderwel goed afliepen.
Migraine. Hoofdpijn. Je nekspieren zitten je dwars. Een aantal diagnoses die mijn dochter Mandy de afgelopen weken aan mocht horen. Uiteindelijk heeft een neuroloog op de spoedeisende hulp via een CT-scan geconstateerd dat er een cyste tussen twee hersenkamers zat, die de boel op een dusdanige wijze blokkeerde dat de druk in haar hoofd tot levensbedreigende hoogten werd opgestuwd. Door direct actie te ondernemen en de juiste mensen uit bed te bellen heeft hij er voor gezorgd dat ik nu nog steeds twee mooie dochters heb.
Het is al bijna een week geleden dat ik als een speer van Enkhuizen naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam reed. Dat ik daar mijn meisje nauwelijks aanspreekbaar aantrof op de spoedeisende hulp, dat het zweet me uitbrak toen ik haar zachtjes “Hoi, pap,” hoorde mompelen. Dat ik in gedachten twaalf jaar terug in de tijd ging, toen ik haar onder narcose zag gaan voor een open hartoperatie. Twee keer heb ik haar deze week uit een andere narcose zien komen, twee keer hoorde ik weer: “Hoi, pap.” Ik ben niet staat te beschrijven wat dat met je doet, maar ik neem aan dat daar wel een voorstelling van te maken is.
De revalidatie was voor mij echt begonnen toen ik haar via twitter zag foeteren op haar tachtigjarige buurvrouw op de kamer in het ziekenhuis, die iedere nacht aangreep om de verpleging lastig te vallen met onbenullige klachten, vragen en eisen. Mijn sterke meisje gaat de hele wereld weer aankunnen, dacht ik toen.
En nu is ze weer thuis, monter begonnen aan een rustperiode van een maand of twee. Het mogelijke geheugenverlies waar de chirurg over sprak, heeft zich niet geopenbaard. Ze wist zelfs nog heel goed dat ik haar regelmatig in de maling neem, dus ze trapte niet in mijn bewering dat ik haar vlak voor de operatie vijfhonderd euro had geleend.
Ze is er nog. Als ik in een god geloofd zou hebben, zou ik haar (dat moet haast wel een vrouw zijn) op mijn blote knieën danken. Plaatsvervangend dank ik daarom bij deze nogmaals mijn zus en zwager, die het initiatief namen om haar naar die huisartsenpost te brengen, het engeltje op de schouder van mijn dochter, de neurologen en chirurgen en uiteraard mijn dochter zelf, die voor de tweede keer in haar nog prille leven een zware operatie goed doorstaan heeft.
Ze is er nog en we gaan met z’n allen nog heel lang van haar genieten.
Nog heel vaak zal ik haar “Hoi pap,” horen zeggen.
En nog heel vaak zal ik daar stiekem extra dankbaar voor zijn.
De zoete inval
De oude man sluit zijn ogen, in een poging het draaien van de slaapkamer tegen te gaan. Toch een borrel te veel gedronken, al had hij zichzelf voorgenomen het rustig aan te doen. Maar het was het waard, het was gezellig, het was als toen. Toen ze regelmatig de deur plat liepen, bijna ieder weekend. Altijd was er aanloop en het huis werd al snel “de zoete inval” genoemd.
Vandaag, in zijn nieuwe huis, liepen ze zomaar opeens weer de deur plat. Weliswaar moesten ze daarvoor eerst het beveiligingssysteem van de nieuwe woning voorbij zien te komen, maar dat lukte wonderwel.
Eén voor één druppelden ze binnen, de vrienden van ooit. Ze kwamen het bier opzuipen, zeiden ze, en daarna gingen ze stappen, zeiden ze, net als vroeger. Dat sommigen tegenwoordig de voorkeur geven aan een wijntje en anderen helemaal geen alcohol meer nuttigen, mocht de pret niet drukken.
De oude man zag ze één voor één binnen komen. Hij straalde. Het was weer even net als toen.
Toen was het een hechte vriendengroep. Vrienden van zijn puberkinderen, die te pas en te onpas het bier op kwamen zuipen om daarna met z’n allen te gaan stappen in hartje Rotterdam. Hoewel dat stappen er vaak bij in schoot, want de gezelligheid thuis was meestal voldoende. Omdat zijn vrouw en hij de moeilijkste niet waren en het lachen van de vriendengroep het huis verwarmde en verlichtte.
Zijn vrouw was er inmiddels niet meer, maar keek niettemin tevreden glimlachend toe vanaf de muur waar haar foto pronkte. De herinneringen en anekdotes vlogen heen en weer. De lach was vanaf de eerste binnenkomst weer terug. Ook werd er af en toe even een brok in de keel met een flinke slok bier, wijn of water weggespoeld. Maar de lach overheerste. De oude man lachte mee, al verstond hij niet alles meer perfect en hoorde hij sommige verhalen voor het eerst. Verhalen over een tuinhek, een nepkras, een politiebezoekje, een dooie meeuw, vakanties, glazen stelen, zwalken, risken, bieren, en lachen, vooral veel lachen.
De oude man opent voorzichtig een oog en constateert dat zijn slaapkamer nog steeds draait. Snel sluit hij het oog weer, slaat de herinnering aan vandaag op in zijn geheugen, slaapt met een tevreden glimlach op zijn gezicht in en droomt weg naar toen.
De wandeling
Ik zag een meisje lopen in Londen.
Schijnbaar onbevangen keek ze de wereld in.
Ze lachte om facetten van die wereld.
Soms dwaalden haar gedachten af.
Om daarna weer terug te keren naar nu.
Ik zag een glimlach.
Een tevreden glimlach.
Zag het meisje veranderen in een vrouw.
Een mooie vrouw.
Ik zag een vrouw lopen in Londen.
Ze nam de wereld in zich op.
Ze lachte om die wereld.
Lachte om anderen.
Lachte om zichzelf.
Dwaalde soms even af naar toen.
Naar toen ze nog een meisje was.
Een glimlach kleurde haar gezicht.
Een tevreden glimlach.
Ze kon de wereld aan.
Ik slenterde door Londen.
En zag een vrouw.
Een mooie vrouw.
Een vrouw met een glimlach.
En achter die glimlach,
zag ik het meisje.
Mijn meisje, mijn dochter.
Trots kleurde mijn gezicht.
Al 22 jaar wandel je door dit leven.
Je leert nog elke dag,
van alles wat je meemaakt.
Je leert anderen elke dag,
over dingen die je meemaakt.
Je glimlach groeit met je mee.
Je bent een vrouw,
maar blijft mijn meisje.
Ga maar verder, loop maar door,
kijk soms even over je schouder.
Want ik wandel met je mee.
Voor altijd.
Mijn handen op haar heupen
Mijn lief heeft een auto-ongeluk gehad. Hier laat ik even een gepaste stilte vallen, om de impact van voorgaande zin extra door te laten dringen. En als de lezer dan verschrikt geboeid verder leest, begin ik pas de juiste nuances aan te brengen. Want de bewering is waar, maar inmiddels lang geleden.
Ongeveer een eeuwigheid geleden was mijn lief, die toen nog niet mijn lief was vanwege het onnozele feit dat we elkaar nog nooit ontmoet hadden, betrokken bij een auto-ongeluk. Ze werd geramd in de linkerzijde en haar heup ving daarbij de grootste klap op. Die heup was verbrijzeld, en werd met stalen pinnen provisorisch weer in elkaar gezet. Haar ego liep ook een deukje op, maar dat heeft ze met onmetelijke wilskracht zelf weer opgelapt en maakte haar mede tot de vrouw die ik in januari van 2005 voor het eerst ontmoette, en die me direct uit mijn sokken blies, met en zonder kruk.
Met die kruk verplaatst ze zich nu al een flink aantal jaartjes, omdat de restanten van haar heup inmiddels flink versleten zijn. Begrijp me goed, ze doet niet onder voor een ander. Om met Acda en de Munnik te spreken:
ze kon zich geven als een meisje,
kon je nemen als een vrouw,
ze huilde met de film mee,
als de regisseur dat wou,
ze kon je gedachten vangen,
in een achteloze zin,
en ze rookte als een zeerover,
danste als een zigeunerin.
(Uit: Zo’n lief als ik had, Acda en de Munnik)
En dat alles dan in de tegenwoordige tijd, want dat doet ze allemaal nog steeds. In die zelfde tegenwoordige tijd hebben we weer eens röntgenfoto’s laten maken van de heup. Werden even met de neuzen op de feiten gedrukt. Iets wat we natuurlijk allang in ons onderbewustzijn wisten, werd gisteren voor heel even weer pijnlijk duidelijk. Zo’n heup geneest zichzelf niet, maar blijft slijten tot er straks niet genoeg over is om zichzelf nog een respectabele heup te noemen.
Dus actie is nodig, om te beginnen gaan ze de heup injecteren met pijnstillers, ontstekingsremmers en een gel die de functie van het verloren gegane kraakbeen moet overnemen. Dat maakt de grote operatie niet overbodig uiteraard, want we weten dat slimme doktoren ooit een kunstmatig gefabriceerde kunstheup zullen moeten gaan plaatsen. We gaan keihard hopen dat die operatie nog even op zich laat wachten, want zo’n kunstheup is niet voor eeuwig.
En ik ga stiekem keihard hopen dat de pijn, die inmiddels al vierentwintig jaar duurt, eindelijk een beetje verzacht kan worden.
Zodat ze zich nog heel lang kan geven als een meisje, ken nemen als een vrouw, met de film mee huilt, mijn gedachten vangt in een achteloze zin, rookt als een zeerover, kan dansen als een zigeunerin.
Met mijn handen op haar heupen.
Een nobel gebaar
Topman Hommen van de ING ziet af van de bonussen voor de raad van bestuur van die bank. Weliswaar pas ná de tsunami van kritiek die ze over zich heen kregen toen het nieuws van een ‘extraatje’ van 92% bekend werd, maar evengoed heeft hij wel met de hand over het hart gestreken.
Ik vind het meer dan dapper van Jan. Temeer ook omdat hij nu een extra moeilijk jaar tegemoet gaat. Zie maar eens rond te komen van een schamele 1,35 miljoen euro in een jaar. Waar moeten die mensen in vredesnaam van op vakantie? Dat worden studiebeurzen voor de kids. En de huishoudster van de familie Hommen zal nu ook wel de zak krijgen.
Gelukkig maar dat de pensioenen van 16.000 pensioengerechtigde werknemers bevroren zijn, omdat de bank er zo slecht voor staat. Dat geeft hoop voor de bonus van volgend jaar, als de storm een beetje is overgewaaid.
Ik ga volledig mee in de beslissing van Jan en de zijnen. En om het nog makkelijker voor hem te maken zal ik zowel mijn privérekening als mijn zakelijke rekening zo spoedig mogelijk onderbrengen bij een andere bank. Hoeven ze mijn geld niet meer in het pensioenfonds te dumpen en kunnen ze volgend jaar weer een flinke hap uit de zuurverdiende winst nemen. Kop op, Jan! Het komt wel goed, schatje!

U zei?